Oorlogsgeheimen – Jacques Vriens – € 12,95 (leeftijd 10-88 jaar)
Fragment:
In de verte klinkt gebrom. Vliegtuigen? Nee, want dan zou het luchtalarm afgaan. Het is een vrachtauto. Het geluid komt snel dichterbij. Ineens piepende remmen, deuren die openklappen en geschreeuw. Tuur schrikt. Maartje! Ze komen Maartje halen. Hij rent naar het raam en duwt de blindering opzij. De vrachtauto staat voor hun deur. Hij ziet schimmen achter uit de wagen springen. Dan galmt het doordringende geluid van de bel door het hele huis. Er wordt keihard op de deur gebonsd en iemand roept: Aufmachen! Schnell, schnell!
Jacques Vriens over Oorlogsgeheimen:
Toen ik nog meester was, vertelde ik graag verhalen over vroeger. Ik dacht dan: geschiedenis met al die jaartallen en zo is saai. Maar als ik spannende, grappige of zielige verhalen over vertel over vroeger, dan wordt geschiedenis leuk.Daarom vind ik het ook fijn om af en toe een boek over vroeger te schrijven. Dat kost wel veel meer tijd. Meestal ben ik eerst een jaar bezig met te lezen over die tijd, oude foto’s en oude films te bekijken en met mensen te praten die het nog hebben meegemaakt (als dat tenminste nog kan). Het moet zo zijn dat ik me zo kan inleven dat ik zelf in die tijd rondwandel, zelf in de Peel loop of in de mijnen kruip of me moet verstoppen voor de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Dan pas kan ik gaan schrijven en dat duurt dan vaak ook een maand of acht. Ik woon al tien jaar in Zuid-Limburg en kwam erachter dat de Tweede Wereldoorlog hier iets geheel anders was dan in het westen en het noorden van ons land. De mensen hadden er geen honger, maar moesten wel vaak de kelder in omdat de geallieerde bommenwerpers Limburg gebruikten als aanvliegroute naar de Duitse industriegebieden. Daar probeerden de Engelsen de Duitse wapenfabrieken kapot te bombarderen. Regelmatig werden vliegtuigen neergeschoten door de Duitsers en als ze de piloten te pakken kregen, werden ze vaak doodgeschoten. Gelukkig werden de piloten ook geholpen door het verzet en vanuit Zuid-Limburg werden honderden Engelse piloten de grens over gesmokkeld. Vaak moesten ze dan eerst een tijdje verstopt worden en het kon dus zijn dat er zo’n piloot bij jou in huis zat en je het aan niemand mocht vertellen. Er zaten ook veel Joodse kinderen ondergedoken. Maar er waren ook mensen die vriendjes waren van de Duitsers en van alles gingen verraden aan de vijand. Er waren nogal wat NSB-ers in Limburg (dus Nederlanders die met de Duitsers meededen) waarbij gezegd moet worden dat er veel ‘halve’ NSB-ers waren, die wel met de Duitsers aanpapten, maar ook niet iedereen verraadden. Kortom: je wist nooit helemaal zeker wie je vertrouwen kon, waardoor je als kind niet goed wist wat je moest doen. Ik heb gepraat met veel mensen die als kind de oorlog in Zuid-Limburg meemaakten en ik heb geprobeerd een spannend, maar soms ook grappig of ontroerend verhaal over de oorlog te schrijven, zoals de twee hoofdpersonen Maartje en Tuur (alle twee 11 jaar) het allemaal beleven. Ze zitten zelfs in de klas bij een NSB-meester. Maartje en Tuur hebben alle twee een groot gevaarlijk geheim. In het nawoord vertel ik ook dat Duitsland heel veel geleerd heeft van zijn eigen geschiedenis en nooit meer oorlog wil. |